Naar meer Coherentie in de Maatschappijtheorie
Progressief en Conservatief, Holisme en Reductionisme, De Macht en het Kwaad

C.W. Rietdijk

De waarheid is te herkennen aan haar schoonheid en eenvoud.

Richard Feynman (Nobelprijs natuurkunde 1965)

De coherentie en de eenvoud van de sociologie worden door niets zo bevorderd als door het inzicht dat het ancien régime, Robespierre, Napoleon, Hitler, Stalin, Derde-Wereldculturen en ook wijzelf hun grote of kleinere euvelen vooral hebben te wijten aan één gemeenschappelijke oorzaak: het door geweld, censuur, dogma’s, taboes, verdringing of doodzwijgen beperken van de vrije uitwisseling van argumenteren, dus van de rede.

Inleiding

In de column Dezer dagen van J.L. Heldring in NRC Hb. van 25-11-2010, getiteld Onbedoelde gevolgen, trof ik twee stellingen (en andere beschouwingen) uit het conservatieve gedachtegoed aan die mij bij nadere overweging steeds meer deden belanden bij de kern van de sociologie – bij verschijnselen als macht, strijd, progressie, conservatisme, ideologie, het kwaad in de mens, morele intuïties en ook bij grondvragen zoals de tegenstelling van reductionisme en holisme. Ik meen er iets samenhangends over te kunnen zeggen dat bovendien de coherentie van het denken over de maatschappij als geheel ten goede komt.

We geven Heldrings hoofdstellingen als uitgangspunt van de discussie:

1) Het conservatisme beseft beter dan links – laat staan utopisme – welk een belangrijke rol het kwaad speelt in de mens (en dus ook in de samenleving); het heeft (dan ook) een beter antwoord op dat kwade, in de vorm van tradities, religie en sociale bindingen. De rede staat er vaak machteloos tegenover.

2) Progressief beleid en redelijke doctorandussen leggen het vaak af tegen traditionele morele intuïties en "de taal van de wijken".

Het ongelijk van het conservatisme

Op stelling 1) lijkt mij de volgende reactie voor de hand te liggen. Tijdens de Verlichting en de Franse Revolutie was de geldigheid ervan uiterst partieel: de "rede" van Robespierre en deels Napoleon was inderdaad bepaald niet opgewassen tegen het kwade, en er zelfs in niet geringe mate dienstbaar aan. Maar gold datzelfde niet evenzeer voor de tradities, religie en standenmaatschappij van (niet alleen) de 18e en 19e eeuw, die de machthebbers buitengewoon goed te stade kwamen? En waren Voltaire en de Encyclopedisten uiteindelijk niet "productiever" tegenover het kwaad dan de pausen en koningen van die tijd? Maar inderdaad is het een niet geringe vergissing van de meeste verlichtingsdenkers geweest dat zij meenden dat de mens van nature goed zou zijn, en de problemen oplosbaar door alleen maar vele bindingen te verbreken. Die vergissing is “links” zwaar opgebroken. 

   Vervolgens, was de Victoriaanse moraal beter opgewassen tegen het kwaad dan de NVSH? Uitte het overvloedige agressieve in de mens zich ook niet minstens zo sterk in de mentaliteit van Wilhelm II en de grootheid van vaderlanden en goden als in de ambiance die gaat van Spinoza en de humanisten naar moderne bestrijders van seksuele, familie- en religieuze tradities? (Dit vooral in niet-westerse culturen, waar zulke tradities zich het sterkst manifesteren, met tamelijk universele achterlijkheid als gevolg.)

    Kardinale vraag: waarom zouden de conservatieve en traditionele waarden, die vooral onder leiding van de machthebbers historisch zijn gevormd, niet ook onbewust vooral op de belangen van dat establishment zijn toegesneden?  

Ten aanzien van stelling 2) rijst allereerst de vraag: Op grond waarvan zijn de beleidskaders en idealen van de doctorandussen, de multiculti's en de zachte misdaadbestrijders – die belang hechten aan "vormfouten" en nu en dan bewijzen als "onrechtmatig verkregen" verwerpen – eigenlijk vooruitstrevend? Meer dan morele intuïties die minder zwaar tillen aan zulke fouten en die “xenofoob” reageren op roerige Marokkaanse jongeren? En al evenzeer: wat maakt beleidsmakers op het ministerie die "leuk" onderwijs voorstaan, met veel “zelf ontdekken” en afschaffing van grammatica, van de deductieve methode in de wiskunde en van systeem bij geschiedenis, wat maakt die vooruitstrevend? Meer dan ouders en leraren die degelijke kennisoverdracht prefereren? Ja, zij die niet voelen voor zo’n ont-intellectualisering van het onderwijs, die de kern vormt van de doorgevoerde onderwijsvernieuwing, staan mogelijk dichter bij Voltaire en de Encyclopedisten dan de “structuurhervormers”. Is het misschien zelfs zo dat Hendrik-Jan Schoo gelijk had met zijn stelling dat in de jaren 60 en 70 achter ons links en rechts van positie wisselden?

Mijn voorlopige interpretatie: het gedeeltelijke gelijk van Schoo past in de gedachte dat in die jaren links in hoge mate tot machthebber werd en daardoor terugviel op diverse zeer ónverlichte denkwijzen (ideologische machtsinstrumenten) die ook nauwelijks in tegenstelling staan tot het kwaad in de mens, maar het veeleer relativeren (softheid en "vormfouten"). Dat getransformeerde links wantrouwt de rede (“onderwijsvernieuwing”, postmodernisme, incoherente “moderne” kunst) en laat met graagte immigranten toe uit pre-verlichte culturen die als "zwakkeren" bovendien neigen hun stem op links uit te brengen. Nee, de “progressieve” doctorandussen zijn veeleer de nieuwe "adel en geestelijkheid", met hun bureaucratische macht, dan dat zij zelfs maar verwant zijn aan Voltaire en het vooruitgangsdenken. Ik vermoed dat  de "morele intuïties uit de wijken" die zich keren tegen multiculti’s, vrijspraak door vormfouten en onderwijs waar stevig leren niet meer centraal staat, zelfs minder ver van hem verwijderd zijn dan die doctorandussen.

    Al met al meen ik dat de kernfout van (de “progressieve”) Robespierre, Napoleon en Stalin niet zozeer was dat zij tradities en historisch gegroeide "bindingen" te weinig in stand lieten, maar dat ze de kritische rede via geweld en ideologie – zoals rondom “vijanden van de Republiek”, nationalisme en dogma's over het proletariaat – grotendeels wisten uit te schakelen. Het was steeds het ontbreken van vrije discussie – van een vrije rede – dat het kwade in de mens enorme kansen gaf, veel meer dan een teveel “ontkaderde” (weinig door traditie en instituten beperkte) rede zelf.

Tenslotte: Het moge dan waar zijn dat de mens zich doorgaans meer laat leiden door emoties dan door de rede, dat redt de conservatieven niet van juist mijn voornaamste gevoelsbezwaar. Het bezwaar namelijk dat zij zich wel zeer weinig geschokt tonen door morele gotspes als vrijlatingen vanwege vormfouten of “onrechtmatig verkregen” bewijs en het “recht op voortplanting” van genetisch gestoorde probleemgevallen en chronisch asocialen. (In plaats van steeds gecompliceerder en meer formalistisch te worden, dient het recht niet anders te zijn dan een exact geformuleerde rationele moraal en dus ook een emotioneel aansprekende bondgenoot van het goede tegen het kwade; kom daar maar eens om bij onze conservatieven.) Ik wend mij ook emotioneel af wanneer ik vaststel dat onze conservatieven meer behoefte bleken te hebben aan een verschijnsel als de studentencorpora dan – vóór de tijd van het internet-daten – aan een grootschalige en doorzichtige partnermarkt.

Onvoorziene en onbedoelde bijwerkingen van hervormingen in de geest van de progressieve rede

Een ander door Heldring in het kader van progressieve rede versus conservatieve tradities en intuïties besproken onderwerp is het probleem van de onvoorziene en onbedoelde bijwerkingen van (te snelle) hervormingen. Hij meent dat verkiezingen doorgaans te laat komen om dat onbedoelde te corrigeren. Dit lijkt mij geen juiste voorstelling. Immers, hebben we niet al decennialang de tijd gehad om de “onvoorziene en onbedoelde” gevolgen van bijvoorbeeld de al genoemde vérgaande ont-intellectualisering van het onderwijs radicaal terug te draaien? En geldt niet iets soortgelijks ten aanzien van die van een “modernisering en humanisering” van het strafrecht die onder meer inhouden dat veelplegers – die de meeste criminaliteit voor hun rekening nemen – “het recht” hebben om ook na hun tiende veroordeling weer op ons te worden losgelaten?

Of neem het uit de hand lopen van de immigratie uit streken met laag gemiddeld IQ (Zie Richard Lynn en Tatu Vanhanen: IQ and the Wealth of Nations, 2002.) Vergelijk ook hoe men jarenlang het onvoorziene aantal WAOers liet stijgen. Nee, verkiezingen zijn allerminst te laat om vitale fouten te corrigeren. Het zijn veeleer deelbelangen die vaak een redres beletten, en al helemaal doet de rede dat niet. Het voorgaande correspondeert ermee dat vele “onbedoelde” gevolgen allesbehalve betreurd worden door machtige vested interests en dat we opnieuw een voorbeeld zien van het (veelal onbewuste) kwade in de mens “dat zo moeilijk door de rede te bestrijden valt”.

Een beter antwoord op het kwade: een vrije rede die ook ethiek en waarden wetenschappelijk kritiseert en gevoelens en intuïties meer bewust en coherent ordent; de rode draad van vooruitgang in de geschiedenis

Wat mijns inziens nodig is om het kwade te beheersen is niet zozeer voorzichtigheid bij het afschaffen van tradities, oude denkgewoonten en groepsbindingen, alswel juist méér rede. Namelijk die rede die men – in plaats van taboes, tradities en “het irrationele in de mens” omzichtig te ontzien en dissidente geluiden dood te zwijgen – al lang vóór Pim Fortuyn op immigratie en andere heilige koeien had moeten loslaten. Denk hier ook aan de al genoemde onaantastbaarheden in het recht (“vormfouten” enzovoort) en aan de onvoldoende bekritiseerde mythe dat slecht leren veel meer door “de structuren” van het onderwijs wordt veroorzaakt dan door grotendeels genetisch bepaalde tekortschietende intelligentie. (En tevens door geringe interesse in geestelijke inspanning en uitgestelde bevrediging waarvan de aanlegcomponent nog onduidelijk is.)

Dit sluit aan bij het cruciale dat er mis was met de ideeën en systemen van vóór de Franse revolutie, van Robespierre, Napoleon, Hitler en Stalin – het radicaal censureren of devalueren van de kritische, ontmaskerende, taboe-doorbrekende en alternatieven voorstellende rede. Het vitale inzicht dat ontbreekt is dat ook de kwalen van de huidige Derde Wereld én wat er bij ons in het Westen op veel minder extreme wijze niet deugt, van gelijksoortige aard zijn. Ook wij laten de kritische en onafhankelijke rede niet vrijelijk los op (taboes wat betreft) onder meer immigratie, misdaadbestrijding en de genetische component bij slecht leren, wangedrag en armoede.

Nee, ik denk dat het conservatisme geen sterke zaak heeft met de stelling dat via tradities en andere niet-rationele cultuurbestanddelen de verlichte rede voor ontsporing kan en moet worden behoed en dat mede zo de samenleving tegen het kwaad in de mens wordt beschermd. Veeleer dan in die rede en in het serieus op elkaar ingaan – ook op taboe-doorbrekende argumentaties – verschuilt dat kwade zich juist in niet bewust geordende en dus manipuleerbare cultuurbestanddelen zoals rechts ze zo vaak koestert: nationalisme, orthodoxe religie, seksuele repressie, hiërarchische familieverhoudingen,… Het feit dat de mens in hoge mate niet-rationeel is staat hier buiten: ook een krokodil is in hoge mate niet-rationeel; maar dat maakt allerminst ongedaan dat zijn functioneren rationeel-wetenschappelijk kan worden onderzocht en eventueel veranderd.

In The Scientifization of Culture (Van Gorcum, 1994) en op mijn website op internet (te vinden door aantoetsing van de woordcombinatie “Rietdijk scientifization”) heb ik één kardinale tegenstelling centraal gesteld in de sociologie. Namelijk de strijd tussen enerzijds de mens die via zijn intelligentie en haar toepassing (ook op morele en andere culturele dimensies) zijn lot in eigen hand wil nemen, en anderzijds krachten die daarbij te verliezen hebben. Ik introduceerde die tegenstelling als centrale verklaringhypothese voor de belangrijkste maatschappelijke verschijnselen en hun dynamiek. Tot die “te verliezen hebbende” krachten behoren niet alleen ancien régimes en Robespierre, Hitler en Stalin, maar evenzeer de plaatselijke elites die anti-rationalistische en anti-individualistische Derde-Wereldculturen in stand houden. En last but not least: ons eigen establishment in de (hoge) mate waarin het anti-rationalistische filosofieën, anti-intellectualistisch onderwijs, taboes over immigratie en eugenetica, het doodzwijgen van dissidenten, het pseudo-progressieve Schwärmen met primitieve culturen en primitieve godsdiensten en een conformistisch en oppervlakkig klimaat van other-directedness en amusement pousseert of welwillend aanvaardt.

In bovenstaand kader heb ik de voortgaande evolutie in de richting van rationalisering van cultuur en samenleving de rode draad in de geschiedenis genoemd.

De verwarring rondom progressief en conservatief; Quigley’s institutionalisering

Het voorgaande maakt duidelijk wat logischerwijze progressief is: precies dat streven van de mens om zijn lot via zijn eigen vermogens – zijn intelligentie vooral – in eigen hand te nemen zonder zich daarbij te laten weerhouden door tradities, dogma’s, gevestigde machten of andere instanties die hun aanspraken niet door overtuigende argumenten kunnen legitimeren. Met andere woorden, progressief is wat reeds de kern vormde van het oorspronkelijke links van ruim 200 jaar geleden: het streven de “rode draad” door bewust ingrijpen te stimuleren. Dit dan met de bedoeling het totale welzijn te bevorderen, in menig geval tegen deelbelangen in. Vooruitgangsstreven vormt daarvan de kern. Conservatief is dan precies de tegen de rode draad gerichte stroming die zich baseert op religieuze of historische tradities, gevestigde belangen of niet-rationele ideologieën.

De bovenstaande alinea maakt duidelijk hoe paradoxaal een moderne “progressiviteit” is die zich hard maakt(e) voor minder intellectueel gericht onderwijs, voor immigratie uit pre-verlichte culturen en “vernieuwend” geheten irrationele moderne kunst, en die bij conflicten tussen het Westen of Israël en primitievere samenlevingen steevast meer sympathie voelt voor die laatste. Men denke verder aan een “progressiviteit” die, in plaats van objectieve wetenschap en objectief goed en kwaad als de centrale ijkpunten van maatschappelijke en andere standpunten te ervaren, alle mogelijke voorbeelden van dat kwaad en van inferioriteit pleegt te relativeren. Dit tot aan misdaad, achterlijke culturen en genetisch bepaalde achterstanden toe. Wel, zo’n progressiviteit is in hoge mate in haar tegendeel veranderd. We zien de afkeer van het nu gangbare “links” van Verlichting en de vooruitgangsgedachte al heel drastisch tot uiting komen in het bizarre verschijnsel dat het vele decennia méér conciliant stond tegenover het zeer onverlichte communisme dan rechts deed, terwijl dit fenomeen zich nu herhaalt in het grotere “begrip” van dit “links” voor de al even onverlichte islam en andere culturen aan welke Voltaire en de Encyclopedisten voorbijgingen.

Dit brengt ons tot het begrip institutionalisering van wat de Amerikaanse historicus Carrol Quigley noemt “instrumenten van expansie.” We zien namelijk nogal eens hoe enigerlei maatschappelijke beweging of instelling historisch begint met vooruitstrevend te zijn – denk aan het christendom of de Franse en Russische revoluties – en dan geleidelijk vehikels wordt tot macht en voordeel voor wat Quigley beschrijft als zijn “bedienaren”, en in aanzienlijk conservatiever vaarwater geraakt. Het christendom werd “plezierig” voor de (hogere) geestelijkheid, de Franse Revolutie voor Napoleon en de (aanvankelijk niet onvooruitstrevende) Russische voor Stalin en de nomenklatura. Wel, het is zonneklaar dat links (vooral socialistisch links) iets soortgelijks overkwam en zo overigens ook Schoo in behoorlijke mate in het gelijk stelde. Links begon als rationeel vooruitgangsidee, maar institutionaliseerde in hoge mate tot een omvangrijke zwakkerenindustrie van herverdelingsbureaucratieën, onderwijsadvies- en -begeleidingsinstituten, vakbonden en vele machtsposities in overheids- en academische instellingen. Dat maakte onder meer de toename van het aantal zwakkeren een belang voor “links”, zodat Derde-Wereld-immigratie welkom was, evenals de stelling dat achterstandssituaties sociaal veeleer dan genetisch worden veroorzaakt: het nurture standpunt schept werk en invloed voor de maakbaarheids-adepten. De institutionalisering van links sluit ook aan bij de opkomst van Ortega y Gassets hordemens: de vóór alles in zijn eigen korte-termijn-voordeel geïnteresseerde other-directed lezer van de sportpagina, wie alle streven naar vooruitgang, integriteit en het verhevene een zorg zal zijn. Voor op eigenbelang gerichte stemmenwervers blijft dan ook weinig anders over dan via brood en spelen die horden te gerieven. Ondernemers, publicisten, politici, media-mensen en de publieke “denkers” zien ook hun succes nauw gerelateerd aan de mate waarin ze zich kunnen verplaatsen in de gedachtewereld, gevoelens, korte-termijn-behoeften en interessen van Jan Modaal. Dit produceert een algemeen klimaat van aanpassing aan de massa en haar oppervlakkigheid waarvan het niveau van het overgrote deel van het TV-aanbod alleen maar het meest zichtbare voorbeeld is, naast de niet meer aflatende hype van vlucht van de doellozen in de totale irrelevantie van sport-evenementen en -uitslagen. Men vergete in dit verband ook niet dat massale oppervlakkigheid het zoveelste wapen tegen de rede vormt. Ook daardoor zal het establishment zich er nauwelijks onbehaaglijk bij voelen.

Juist de “horde-status” van Jan Modaal ontneemt elke rechtvaardiging aan onze elites om een hoge prioriteit te geven aan succes bij het plezieren van hém. Het relativisme – zowel verraad aan de vooruitgangsgedachte als desinteresse in grote waar(he)den – waardoor die elites nu worden gekenmerkt, is hier de hoofdschuldige. Dáárdoor schaart ook ons moderne Westen zich (onbloedig) in de rij van systemen en culturen die – in ons geval door doodzwijgen van off-mainstream-argumenten – het vrije woord in hoge mate frustreerden en de integriteit geweld aandeden door argumenten ideologisch te selecteren. Ook die elites kennen geen hoger criterium dan “de anderen”. Daardoor ontzien zij ook taboes, tegen eugenetica, tegen vrijwel alles wat de PVV voorstaat, tegen kritiek op incoherente kunst,… Het is niet onlogisch, vooralsnog aan te nemen dat de sterksten en best georganiseerden in onze samenleving meer belang hebben bij het recht van die sterksten dan bij het prevaleren van integriteit. De sociologie zag dit totaal over het hoofd, evenals het verwante feit dat dan logischerwijze de filosofische vraag rijst of de wereld voldoende coherent, “betrouwbaar” en dus objectief en zeker is om een beroep mogelijk te maken tegen die sterksten in de meest ruime zin. (Zie hierover ook beneden over het CT en het UR paradigma.) Mogelijk is het domineren van relativisme, onzekerheids- en toevals-denken in dit verband niet geheel onverklaarbaar. Immers, alleen in een wetmatig-coherente wereld is in beginsel beroep mogelijk tegen hen die (vooralsnog) gelijk krijgen zonder het te hebben.

Het boven beschreven proces van “progressieve degeneratie” ondervind ik ook persoonlijk: radicaal “vooruitgangsfundamentalist” zijnde – deze erenaam kreeg ik van Beatrijs Ritsema – en enkele malen met Voltaire vergeleken, heet ik in het jargon van de geïnstitutionaliseerde progressie zeer rechts. En wel omdat ik het prototype van het kwaad – de misdaad – veel harder wil aanpakken, eugenetica zie als een instrument van genetische vooruitgang, tegenstander ben van massa-immigratie uit gebieden met laag gemiddeld IQ en het onderwijs van 1950 een stuk beter vind dan dat van nu. Joop den Uyl sprak eens zijn vreugde uit over het feit dat zijn partij het vooruitgangsideaal had laten vallen: de institutionalisering openlijk en ten top.

Het valt op dat de geïnstitutionaliseerde progressiviteit die mainstream werd bovenal domineert onder intellectuelen. Friedrich von Hayek merkte op dat maar weinige academici kunnen bogen op eigen substantiële ontdekkingen, zodat ze veeleer vooral doorgevers zijn van tweedehands ideeën. Dit, zo zegt Von Hayek, maakt hen zeer afhankelijk van hun peers wat status, promotie en publiciteit betreft, zodat ze veel moeite zullen doen om er volgens het other-directed recept ”bij te horen” en waardering te oogsten bij die peers: conformisme alom. Mijns inziens wordt Von Hayeks gedachte nog aanzienlijk “geïntensiveerd” door het besef dat ook weer precies doordat zo weinig intellectuelen op belangrijke eigen bijdragen kunnen bogen, de zeer grote meerderheid hun eigenwaarde en status vrijwel geheel – en precies zoals priesters – zal ontlenen aan hun functie van bewaarders, vertegenwoordigers, parafraseerders en doorgevers van bestaande cultuurgoederen zoals het gangbare ideeënbestand: de mainstream-waarden en waarheden. Daardoor is hun belang darmee verbonden en zijn onze universiteiten, media en beleidsbureaucratieën (advieslichamen etc.) bolwerken van pseudo-progressiviteit, dat wil zeggen van de nu dominerende varianten van orthodoxie en denktaboes zoals rondom de religie van de Mens (zie beneden). Dissidenten zijn nog steeds ketters, die een gevaar vormen voor de orthodoxie en “wie daarvan leven”, zoals die overgrote meerderheid van intellectuelen.

We kunnen eraan toevoegen dat een samenleving van zijn “ideeën-klasse” – vroeger priesters, nu intellectuelen – vooral vraagt een zodanig complex van waarden en waarheden levend te houden als harmonieert met de bovendrijvende belangen, dus die van het establishment. Dat waren hoogst zelden verlichte, taboe-vrije en dynamische ideeën. In feite speelden onzekerheid, obscurantisme, angst en het wantrouwen tegen de meer-dan-instrumentele rede er een grote rol in. Wel, vanuit die optiek hebben wij dan nu Heidegger, fundamentele onzekerheid en indeterminisme in de quantummechanica, “progressief-sociaal” onderwijs, other-directed personalities, opgeklopte incoherente kunst en een in relativisme en subjectivisme gedrenkt algemeen klimaat. Hans Janmaat, Pim Fortuyn en Geert Wilders ervoeren wat je losmaakt als je zelfs maar op enkele deelgebieden ingaat tegen de orthodoxie.

Over progressief en conservatief economisch beleid

Op het terrein van economisch beleid is de verwarring tussen progressief en conservatief minder groot dan op andere. Enkele vrij consistente verschillen ertussen zijn:

  1. Links wil geringere inkomensverschillen;

  2. Links staat – deels om deze te realiseren – een grotere bemoeienis voor van de overheid met de economie;

  3. Ook in dit kader is links minder geneigd gevestigde belangen te ontzien: kartels, bonusregelingen, old boys networks, hoge inkomens in het algemeen,… Vakbonden en vele verworven rechten worden echter wél door links ontzien.

Over deze algehele problematiek meen ik niet heel veel te kunnen bijdragen, zij het wel één punt van niet geringe betekenis.

In mijn Vooruitgang, cultuur en maatschappij (Leiden, 1959) stelde ik uitvoerig een economisch plan voor dat beoogde economische recessies te bestrijden door met gecreëerd geld de koopkracht zodanig te vergroten dat de vraag naar goederen en diensten weer even groot zou worden als vóór de recessie. Bijvoorbeeld door belastingverlaging, maar dan zo dat resulterende begrotingstekorten niet door leningen maar door dat nieuwe geld zouden worden “opgevangen”. Loon- en prijsbeheersing zouden in het plan eventuele inflatie moeten voorkomen, naast concurrentie-vergrotende maatregelen. Hoewel ik een verwant plan kort daarna in Economisch-Statistische Berichten uiteenzette, het ook aan diverse hoogleraren economie voorlegde én het bovendien al jaren op mijn website staat (zie paragrafen 4.3 en 2.5, Section 6, punt 13), ging niemand er op in. Het plan komt neer op “Keynes-stimulatie” maar dan niet met geleend maar met gecreëerd geld, en eventuele toevoeging van de genoemde loon-en prijsbeheersing. (Het verwante plan beoogt extra overheids-stimulering van de economie, nu niet via hoge bewapeningsuitgaven, maar door extra uitgaven voor Research and Development.)

Gedurende de laatste paar jaren dook mijn plan weer op, nu metterdaad uitgevoerd door niemand minder dan FED-Director Ben Bernanke en enige Europese overheden. Zij beschrijven hun ingreep nogal versluierd maar voeren het plan als volgt uit: Centrale banken kopen voor tientallen miljarden al of niet dubieuze staatsleningen op van diverse landen (onder meer de VS) en betalen die aankoop niet met geleend geld of besparingen maar betrekken het rechtstreeks van Onze Lieve Heer. Misschien boeken ze dit soms wel als lening maar, de goedheid van de Heer kennende, met het voornemen dit geschapen geld nooit aan Hem terug te betalen. Dit beleid steunt de economie door de staatsschuld deels te delgen [de overheidsobligaties (schuldbewijzen) verdwijnen in de kluizen van de Centrale banken], zodat die overheid minder belasting nodig heeft en toch meer kan uitgeven. Vooralsnog is de inflatie zelden zo laag geweest en zijn loon- en prijsbeheersing daardoor onnodig.

FED-voorzitter Bernanke presenteerde zijn (d.w.z. mijn) plan als revolutionair nieuw, zonder naar mijn boek van een halve eeuw eerder te verwijzen. De goedheid van Onze Lieve Heer voornoemd indachtig, heb ik besloten Bernanke zijn plagiaat te vergeven…

Survival of the fittest van tradities en andere cultuurbestanddelen; meer over hoe de rode draad wordt bestreden

Conservatieven stellen meestal dat tradities die zich langdurig staande hielden, dit konden doen in het kader van een sociaal-cultureel survival of the fittest (SF). Dat klinkt aardig en niet onlogisch; de vraag is alleen of dat “fittest” nu doorgaans betekent: “het meest bevorderlijk voor menselijk welzijn”, òf neerkomt op: het meest geschikt – in onze hogelijk door machtsstrijd bepaalde geschiedenis – om hen die volgens zulke tradities leefden, in de SF-strijd vaak te doen prevaleren. De (in hoge mate irrationele) cultuurbestanddelen van het nazisme waren zelfs zo “fit” dat de hele wereld eraan te pas moest komen om ze de baas te worden…

Het voorgaande betekent dat wat we nu juist achterwege dienen te laten is, de rede, de verlichte denkwijze en het wantrouwen ten opzichte van overgeleverde ideeën en gevestigde belangen een minder belangrijke plaats geven. Bijvoorbeeld door een massale filosofische relativering van die rede (existentialisme, postmodernisme, veel wetenschapsfilosofie,…). Of door taboeïsering van off-mainstream-gedachten over immigratie en over genetische oorzaken van criminaliteit, asocialiteit en slecht leren op school. Of ook via de onder anderen door Heldring beschreven conservatieve gedachtewereld. Het meest wezenlijke in dit hele verband lijkt mij het besef van onze eerdere stelling dat er één gemeenschappelijke oorzaak is aan te wijzen van wat er mis was of is met linkse dictaturen (Robespierre, Stalin,…), rechtse dwangsystemen (de ancien régimes, fascisme,…), en de euvelen van pre-verlichte Derde-Wereld-waardenstelsels en -tradities. Én wel precies dezelfde oorzaak als waarmee wij westerlingen zelf te maken hebben bij onze eigen, veel minder ingrijpende, euvelen (taboes, bureaucratie, stroperige vested interest-complexen,…). Zoals we zagen is die gemeenschappelijke oorzaak het op zeer diverse manieren doen zwijgen van de kritische rede, toegepast op letterlijk alle terreinen en objecten: machthebbers, gevestigde belangen, ideologieën, bureaucratieën, taboes,… Die “zeer diverse manieren” bestaan bij ons vooral in het ontzien van taboes, in conformisme en in het doodzwijgen van gedachten die aanstoot geven aan prominente delen van het establishment. Nadat de seksuele taboes nu grotendeels zijn overwonnen, verdedigen links en de meeste rechtsen nog steeds taboes inzake immigratie en genetische oorzaken zoals eerder genoemd. Op diverse gebieden wordt de redelijke discussie gefrustreerd, van dat van euthanasie met betrekking tot zwaar gehandicapte jonggeborenen tot en met het zeer beperkt blijven van wetenschappelijk onderzoek naar een eventueel voortbestaan van de mens na dit leven. (Menselijk leven heet onaantastbaar, en mysteries rondom de dood willen velen liefst maar zo houden.) Niemand zegt hardop dat er wel eens belangen kunnen zijn gemoeid met het idee dat er bijna alleen sociale oorzaken zijn bij “achterstandssituaties”, en geen genetische. We zien hier hoe links en rechts gemeen hebben dat bij beide de standpunten hogelijk op eigen deelbelangen zijn gebaseerd, wat neerkomt op een wezenlijke concessie aan het kwade in de mens. Denk aan de zwakkeren-industrie niet minder dan aan het militair-industriële complex. Denk ook aan diverse gesubsidieerde actiegroepen, aan onderwijs- en ontwikkelingsbureaucratieën die steeds weer nieuwe werkterreinen vinden en aan ideologieën die dit rechtvaardigen. Ook hier geldt weer: het wapen bij uitstek tegen ideologieën, van links, van rechts of geïmpliceerd door tradities, is de ontmaskerende én constructieve rede.

Al met al: de rede schiet niet tekort doordat “de mens verre van geheel rationeel is” maar doordat conservatieven en vele anderen haar toepassing beperkt willen houden, vooral omdat ze een bedreiging vormt voor alles wat strijdig is met de integriteit, zoals ideologie en verhulde bedoelingen. De mens moge dan overwegend door emoties worden geleid, dat verandert niets aan het feit dat emoties die zich keren tegen de waarheid (tegen rede en wetenschap) onderdeel zijn van het kwaad en gedetailleerd als zodanig moeten worden ontmaskerd.

Overigens is de rede – zoals overleg dat in de plaats komt van strijd – ook hét instrument dat de SF-strijd in steeds meer gevallen blijkt te kunnen vervangen. Men vergete hierbij niet dat mét die strijd – die het doden of frustreren van concurrenten enzovoort zo vaak impliceert – het kwade in hoge mate tot evolutie-instrument is geworden, verankerd in de wereldorde.

Het Westen heeft nog steeds een semi-staatsideologie: de egalitaire religie waarin de bestaande mens de onaantastbare God werd

De religie en het sacrale vinden hogelijk hun oorsprong in het “in de hemel projecteren” van menselijke, aardse, gevoelens zoals angsten, geboden en verboden, en van (onbewuste) collectieve doelstellingen en waarden. Met de opmars van rede en wetenschap werden vele van die projecties weer “teruggetrokken” naar het aardse niveau. Het logische eindpunt van zo’n ontwikkeling is dan dat het absolute en sacrale weer terugkeren tot diezelfde mens. Resultaten zijn Riesmans “other-directed personality” [de oorsprong van waarden en ons algehele kompas liggen in de mens(elijke gemeenschap)] en dat de bestaande mens onaantastbaar wordt in plaats van een stadium van evolutie. (Denk aan het taboe op eugenetica en in de meeste landen ook op euthanasie). Alle mensen heten waardevol en suggesties over (genetische) inferioriteit leiden steevast tot “discriminatie en Anne Frank”. Het egalitarisme werd deel van een geseculariseerde religie: die van de Mens.

Het ligt voor de hand dat de “religie van de Mens” nauwelijks minder conformerend is dan de traditionele godsdiensten waren rondom het sacrale “boven ons”. Immers, dit laatste werd nu als bron van volgzaamheid alleen maar opgevolgd door solidariteit met en sacralisering van “wij als mensen”. De individuele mens krijgt voor zijn solidariteit steun en toeverlaat terug. Other-directedness past hierin. Ook doet dat de omstandigheid dat de ergste ketterij momenteel bestaat in wat een belangrijk element vormt van dit artikel: het in twijfel trekken van de kwaliteit van grote groepen individuen en van de goede trouw van (delen van) ons establishment en de mainstream-waarden, al dan niet via het hypothesiëren van onbewuste complotten. Dat element keert zich tegen het voornaamste taboe: “godslastering” die “menslastering” werd. Eugenetica en gering respect voor “wij als mensen” tasten de nieuwe God aan.

Het bovenstaande werpt ook een nieuw licht op de zeer emotionele bestrijding die hén pleegt te treffen die zich tegen de immigratie keren. Niemand wekt de afschuw op die Janmaat, Fortuyn en Wilders trof. Een hoofdoorzaak is dat het positief staan tegenover immigratie een belijdenis vormt van de nu dominerende “religie van de Mens”. Die religie – precies als andere – staat vooral in dienst van “eenheid”, “solidariteit”. Lees: conformering aan de gevestigde orde en ideeën. Die conformering vormt het centrale machtsinstrument van alle tijden. Met andere woorden, wie, zoals Wilders of Fortuyn, die belijdenis weigert, doet wat diegenen al deden die weigerden de vereiste eer te betonen aan het standbeeld van de Romeinse keizer, wat betrokkenen vaak het leven kostte.

Via het accepteren van de immigratie, inbegrepen culturele, genetische en qua opleiding “achterstanders”, devalueert men impliciet ook die menselijke kwaliteiten die essentieel zijn bij het bevorderen van de “rode draad”. Zo passen de nu “correcte” standpunten inzake immigratie, onderwijs, criminaliteit, moderne kunst, eugenetica, subjectivistisch-antirationalistische filosofie en Derde-Wereldculturen allemaal in eenzelfde patroon. Feynman kon het zich niet beter wensen: eenvoud en daardoor schoonheid van de theorie.

Wetenschap en religie, reductionisme en holisme; een unieke bestaansmotivatie: God als coherentie; het traditioneel-rechtse en het moderne “progressieve” conservatisme en mensbeeld

Er is wel opgemerkt dat het conservatisme, meer dan progressieven, oog heeft voor de tragische dimensie van het bestaan. Voor mij persoonlijk geldt dat de volstrekte weigering om dat tragische moreel en emotioneel als “laatste woord” ofwel als onherstelbaar te aanvaarden, het uitgangspunt heeft gevormd bij mijn meest primaire voorkeuren. Nauwkeuriger gezegd, zijn de richtingen waarin wetenschappelijk onderzoek mij het meest veelbelovend toescheen, van de aanvang af geweest: tracht te bewijzen dat

  1. toeval en fundamentele onzekerheid in laatste instantie niet bestaan en dat

  2. de coherente wetmatigheid in het natuurgebeuren en het menselijk bestaan zelfs zo groot is dat beide passen in begrijpelijke modellen waarin de door Feynman genoemde schoonheid en eenvoud het laatste woord hebben, ook vanuit een moreel menselijk standpunt.

Diverse van de resultaten van het relevante onderzoek zijn te vinden in page 6.1 van mijn eerder genoemde website en in een drietal artikelen die zullen verschijnen in het vakblad Physics Essays, afleveringen Vol. 23 no’s 3 en 4, en Vol. 24 no. 1, en waarvan voorpublicaties op internet zijn verschenen (voor niet-abonnees van het blad alleen samenvattingen). De titels luiden:

    1. Ontologically three-dimensional reality violates experiment;

    2. Four-dimensional realism and understandable models; contributions to the block universe issue;

    3. Four-dimensional reality makes the world more coherent – toward an understandable model of hidden variables.

De aangeduide voorpublicaties zijn te vinden door de titels als woordcombinaties in te voeren.

Voor ons onderwerp relevante resultaten van het onderzoek in kwestie zijn dat

  1. Op meerdere manieren werd aangetoond dat Einstein gelijk had bij zijn vermoeden dat de toekomst en het verleden op even realistische wijze bestaan als het heden, en dus ook gedetermineerd zijn, en dat de “fundamentele onzekerheid” van de quantummechanica dus slechts schijnbaar kan zijn;

  2. Er een wisselwerking optreedt tussen oorzaak en gevolg, in plaats van dat het laatste eenzijdig door de eerste wordt bepaald (binnen een onzekerheidsmarge). Alleen al dit maakt “gevolgen” minder toevallig.

  3. De niet-lokale samenhangen die de quantummechanica aantoonde een organisch-“orkestrerende” dimensie aan het natuurgebeuren toevoegen, die samen met het onder 1) en 2) aangegevene een paradigma-verandering noodzakelijk lijkt te maken: van onzekerheid, toeval en relativisme naar determinisme, coherentie en voorstelbare modellen. Ik noemde die twee alternatieven respectievelijk het U(ncertainty)R(elativism) en het C(oherence)T(ransparency) paradigma. Zie ook mijn website pages 1.3 en 1.4.

De betekenis van de boven omschreven bèta-inbreng en paradigma-wisseling voor het complex van problemen rondom holisme en reductionisme, de relatie wetenschap-religie, de “linkse” of “rechtse” wijze van staan in het leven en de zin ervan, die betekenis is bepaald niet gering.

Allereerst valt in dit verband het geestelijk klimaat op dat de Culturele Supplementen, de filosofische en essayistische beschouwingen en ook grotendeels de politiek beheerst: de opinion leaders zijn niet op weg naar iets van inspirerend, rationeel, moreel of emotioneel belang. Relativisme, het subjectieve, toeval, onzekerheid, het hier en nu en het incidentele zijn allesdoordringend. Ofwel: het immobilistisch conservatisme werd tot een levenshouding. Als “God dobbelt” – zelfs al met Einstein en Bohr’s elementaire deeltjes –, en als goed en kwaad daarenboven relatief zijn, dan blijft er uiteindelijk niet veel perspectief voor de strijd tegen de tragedie en voor vooruitgang. Ja, ik vermoed dat het UR paradigma wel eens een vitaal ideologisch instrument van het conservatisme van de na-oorlogse periode zou kunnen zijn.

Anderzijds zien we uit het bovenstaande een oplossing voor de tegenstelling holisme-reductionisme: het exacte determinisme van het laatste blijft overeind, maar het eerste heeft wél gelijk in de zin van de onder 2) en 3) genoemde wisselwerking en algemene “organische” coherentie, ook wat betreft hier en nu en daar en straks (bovenlokale samenhang). We zien dus reductionisme en holisme tot integratie komen in het kader van exacte, deterministische en deels bovenlokale coherentie, waarbij het bovenlokale begrijpelijk en voorstelbaar wordt via een nieuwe metriek (vergelijkbaar met de relativistische) die in de eerdergenoemde page 6.1 van mijn website wordt uitgelegd. (Deze page is een samenvatting van in vakbladen gepubliceerd onderzoek.) Het rechts-traditionele, niet-wetenschappelijke mensbeeld (vrije wil, “bovennatuur”,…) wordt ook verlaten, maar evenzeer het “mechanische” reductionisme dat alleen lokaal werkende natuurwetten kent en geen “orkestratie”. De wetten die het gebeuren ordenen hebben, in hun kenmerk van bovenlokaal-holistische orkestratie, bovendien een aspect dat allerminst vijandig behoeft te staan tegenover religieuze dimensies als karma, samenhang in het lot en morele begrippen. Evenmin als evolutie met intelligent design (ID) vijandig behoeft te zijn tegenover Genesis uit de bijbel. Dit alles past in méér coherentie, méér wetmatige orde en méér determinisme. Maar ook in het bijbelwoord: “[God], die niet laat varen het werk Zijner handen”.

Het reductionisme schiet tekort door alleen van beperkt-lokale orde uit te gaan, het holisme doordat er geen voorstelbaar model van de natuurprocessen door werd gegeven. Zo’n model van het bovenlokale kan nu door de zoëven genoemde nieuwe metriek wél gegeven worden.

Iets fundamenteel nieuws in een realistisch vierdimensionale wereld (met de dimensies lengte, breedte, hoogte en tijd) is dat daarin de ordenende wetten relaties bepalen tussen vierdimensionale gebeurtenissen in plaats van tussen driedimensionale objecten. Dat impliceert onder meer dat ook de uitkomsten (resultaten) van zulke wetmatige gebeurtenissen veel sterker geordend, meer coherent, zullen zijn dan in het oude driedimensionale model.

Het organische in de natuur en het onbewust complotmatige

Op “racisme” na is het ergste waaraan men zich momenteel kan schuldig maken het lanceren van complottheorieën. Ook in deze ambiance overheerst het UR paradigma: het is toeval dat in 800 jaar antieke Griekse religie niemand eens een kijkje ging nemen op de Olympus, waar Zeus en zijn makkers heetten te resideren. Evenzeer was en is het louter een ongelukkige samenloop van omstandigheden dat al sinds mensenheugenis opposanten tegen de orthodoxie onvriendelijk worden behandeld door ook weer toevallig bijna alle leden van de machtselite. Ook alleen weer doordat een statistisch wonder al hun neuzen dezelfde richting gaf, maakte vrijwel niemand vóór Pim en Geert een issue van de zwakkeren-immigratie. Precies zo toevallig wordt er aan publicisten die de mainstream volgen meer aandacht besteed dan aan wie bijvoorbeeld suggereert dat immigranten uit IQ-85-gebieden welkom zijn bij “progressieven” omdat deze (onbewust?) stemmen verwachten van zulke genetisch-perpetueel zwakkeren.

Anderzijds sluiten onbewuste collectieve voorkeuren (onbewuste complotten) voor standpunten die bepaalde belangen dienen – zoals voorkeur voor het nurture-standpunt het belang dient van de zwakkeren-industrie – veel beter aan bij het CT- dan bij het UR-paradigma. In concreto wordt in het artikel genoemd onder 2. van de vorige paragraaf aangetoond dat de mensheid als geheel in diverse opzichten als één organisme functioneert, op grond van enkele hypothesen inzake bewustzijn die bepaald niet als vergezocht kunnen worden beschouwd. Nog afgezien van eerdere argumenten voor het bestaan van “onbewuste complotten” zou de correctheid van het bewijs in kwestie zulke collectieve tendensen al even voor de hand liggend doen zijn als de vele coherenties in onze individuele organismen.

Juist het feit dat men niet pleegt te vragen naar het waarom van diverse niet-rationele cultuurbestanddelen – seks-, immigratie-, eugenetica- en andere taboes bijvoorbeeld – moet ons wantrouwig maken. Die terughoudendheid betekent mogelijk dat zeer velen vrezen dat betreffend onderzoek al even bedreigend zou kunnen zijn voor ideologische dogma’s als het geplande onderzoek van criminoloog Buikhuisen indertijd was voor de stelling dat alleen “sociale” factoren bepaalde jongeren tot probleemgeval maken en dat genetische inferioriteit al helemáál buiten de orde was.

Al evenmin kunnen we het stellen zonder de hypothese van onbewuste complotten waar vrijwel niemand publiekelijk de waarde im Frage stelt van het soort “moderne kunst” als geproduceerd door Arnold Schönberg, James Joyce en Karel Appel, terwijl daarop toch in besloten kring heel wat kritiek bestaat. Ofwel men voelt aan dat de collectiviteit zulke kritiek bij wijze van stilzwijgende afspraak (“complot”) niet accepteert, ofwel iedereen vindt zelf óók – toevallig of bij stilzwijgende overeenstemming – dat deze niet past. Dat toevallige lijkt mij wel héél toevallig. En opnieuw is niemand nieuwsgierig naar de achtergrond van deze toevallige uniformiteit. De geschiedenis van de oude Grieken en de Olympus herhaalt zich ten zoveelste male.

Hoe extreem de mate van conformisme ook in het moderne Westen is, blijkt nog eens extra duidelijk uit de omstandigheid dat er ook in de oppositie tegen de pseudo-progressieve egalitaire “religie van de Mens” zeer weinige onafhankelijke denkers worden aangetroffen. De opposanten zijn ofwel “gewoon rechts” (Amerikaanse republikeinen, Berlusconi,…), ofwel nóg radicaler in de pseudo-progressieve leer dan het mainstream-denken (“actievoerders”, SP, “kraakbeweging”,…). Dissidentie in de geest van dit artikel ontbreekt praktisch volledig, zoals een vooruitgangsideaal rondom wetenschap, techniek, verhoging van de menselijke kwaliteit en integriteit, en een evenzeer door de wetenschap geïnspireerde zin van het bestaan. Deze laatste dan in die betekenis dat (ook aansluitend bij de religie) via natuurkundig onderzoek – zoals dat van de artikelen 1., 2. en 3. genoemd in de vorige paragraaf – een wereldmodel wordt opgebouwd waarin wetenschappelijke exactheid en determinisme samengaan met organische coherentie ook op boven-individueel niveau. (In het artikel 2. wordt deze, zoals reeds opgemerkt, fysisch aangetoond.) Het geheel mondt uit in het CT-paradigma dat we kunnen samenvatten in de formulering: God is coherentie tot in de evolutie en het menselijk lot.

Naast de vele andere argumenten die we eerder gaven voor de stelling dat diverse collectieve standpunten en taboes neerkomen op onbewuste complotten – om de Griekse goden met rust te laten, om de rede te ondermijnen, om via goden, vaderlanden en tradities machtsinstrumenten te creëren – zien we daarvoor nu dus de nieuwe indicatie van de in dat artikel 2. gedemonstreerde super-psychen. Die sluiten aan bij Jungs collectieve onbewuste dat ons allen deels tot één organisme zou kunnen maken, met ook meer conformisme als negatief bijverschijnsel.

Tenslotte nog een opmerking over “de Grote Verhalen” die mét de opkomst van de “religie van de Mens” teloor (zouden) zijn gegaan. Ons antwoord in deze en vooral de vorige paragraaf is dat inderdaad het einde van de irrationele en ideologische Verhalen zich aftekent, maar dat de God die coherentie is, voor het eerst in de geschiedenis, een wetenschappelijk gefundeerd Verhaal zou kunnen impliceren dat een meer solide bestaansmotivatie verschaft dan de oude en dan consumptie en amusement. En wel in verband met een simpel feit: wat er mis was met de grote waarheden van vroeger was dat ze geen waarheden waren.

Eindopmerking: Terugkerende naar de titel van dit betoog, lijkt mij de kracht daarvan bovenal te liggen in het feit dat de erin gegeven verklaringen, verbanden en theorieën tot grotere eenvoud en coherentie leiden dan die, verbonden met andere systemen. (Copernicus versus Ptolemaeus.) Het in die zin unieke van onze resultaten is terug te voeren tot één duidelijke hoofdoorzaak. En wel deze dat ontwerpers van concurrerende verklaringen etc. steeds ophielden met denken zodra daarbij een taboe moest worden overtreden. Dat sloot al direct verklaringen uit die minder eerzame bedoelingen van gevestigde macht impliceerden, zoals bijna alle die hier zijn gegeven. En als je ophoudt met denken zodra dit iemand onwelgevallig is, kom je niet ver, en dat deden de mainstream-academici dan ook niet…

Enkele relevante persoonlijke opmerkingen

Sommigen vinden mij extreem. Toch beperkt het ongewone van mijn cultuurfilosofische werk zich tot slechts enkele hoofdpunten:

  1. Ik meen dat ook de irrationele en onbewust gefundeerde bestanddelen van ons maatschappelijk bestel en onze cultuur meestal niet toevallig bestaan, maar bepaalde belangen dienen, precies zoals de rationele en bewust gefundeerde dat plegen te doen.

  2. Verder zoek ik meer in concreto naar welke belangen achter welke irrationaliteiten schuilen, zoals achter sekstaboes, incoherente kunst, taboes tegen negatieve oordelen inzake immigratie, tegen eugenetica en tegen het toeschrijven van minder sympathieke (onbewuste) drijfveren aan diverse cultuurbestanddelen en groepen.

  3. Een algemene conclusie van mijn onderzoek is dat de onbewuste drijfveren en belangen in kwestie moreel niet van hoger gehalte plegen te zijn dan de meer openlijke bedoelingen van individuen en collectiviteiten zoals we die kennen uit de geschiedenis. Als nog belangrijker, en het meest overtuigende aspect van mijn onderzoek, zie ik het feit dat het leidde tot een eenvoudiger en meer coherent model van de centrale sociaal-culturele dynamiek, namelijk die rondom de eerder besproken rode draad in de geschiedenis en krachten die zich daartegen keren.

Ik heb mijn geestelijke ballingschap die uit deze benadering voortkwam niet alleen steeds zonder moeite verdragen maar, sterker, mijn zelfvertrouwen is er niet weinig door vergroot. Het laat zich immers raden dat bijvoorbeeld het doodzwijgen waarmee ik in hoge mate word geconfronteerd, mijn respect voor al die velen die minder perspectief zagen in het weerleggen van argumenten dan in het simpel meedoen aan het gezelschapsspel met ideeën, niet heeft doen toenemen.

Toen Theo van Gogh was vermoord, lieten de twee hoogste vertegenwoordigers van onze gemeenschap zijn ouders en zoon voor wat ze waren, en gingen op theevisite bij de niet overmatig geschokte minderheidsgroep waartoe zijn moordenaar behoorde. En al evenmin ziet diezelfde gemeenschap het als reden tot een outcry wanneer NRC Hb. van 13 – 1 – 2011 meldt dat museum Boymans-Van Beuningen een vloer ingesmeerd met pindakaas heeft “aangekocht” die stamt van Wim T. Schippers. Het is benijdenswaardig om dit soort “antipoden” – het establishment – te hebben! Geen wonder dat ik me herken in het aforisme van Jerzy Lec: “Met míj gaat het uitstekend: mijn vijanden bleken precies de schurken te zijn waarvoor ik hen altijd al heb gehouden”.

Wellicht vooral ook omdat rationele argumentatie voor mij steeds vooropstond, kreeg ik soms het verwijt, voorbij te zien aan de al eerder genoemde centrale rol van emoties. Hoewel die rol voor een wetenschapper uiteraard geen motief kan vormen om geen aandacht te schenken aan de rationeel-wetmatige achtergronden van die emoties, vormt dit verwijt voor mij toch een aanleiding om mijn gevoelsrelatie tot de mainstreamers nog eens kort samen te vatten.

Waarin ik de grootste afstand ervaar tot hen – afgezien van het negeren van argumenten – is dat zij juist steeds hun emoties hebben geconformeerd aan wat in de samenleving de toon aangaf: aan het sterven voor vaderlanden en koningen, aan ketter-vervolgende orthodoxieën, aan de bewering dat lust door mooie lichamen aan zonde was gerelateerd, aan de gedachte dat Jezus van Nazareth best had gepast in een studentencorps, aan de consequentie van de quantum-“onzekerheden” dat God dobbelt met tragedies en aan de opvatting dat het genenbestand van habituele criminelen, asocialen, partner- en kindermishandelaars zeker voor het nageslacht behouden moet blijven. Waar mijn gevoel tegen in verzet komt is een mainstream die in haar nihilisme is gezonken tot bezwaren tegen de uitzetting van criminele buitenlanders en tot de aankoop van vloeren met pindakaas.

Het verzet van mijn emoties en mijn geweten geldt bovenal het verraad van hen die op het lijden, de angst en de gotspes hebben gereageerd met zulk nihilisme – met James Joyce, het hier en nu en het incidentele – in plaats van de Stem te verstaan die tot Mozes sprak: “Zegt den kinderen Israëls dat zij voorttrekken”.


Return to Mainpage